De tumoren kunnen zowel ingedeeld worden naar hun aard als naar hun plaats van voorkomen (localisatie). Gebruikelijk is een onderscheid te maken naar voorkomen in de voorste en middelste schedelgroeve tegenover de achterste schedelgroeve. Dit heeft zin, omdat de verschijnselen en behandeling nogal kunnen verschillen op grond van de localisatie. Dan zijn er ook nog de tumoren die zich in en rond het Turkse zadel bevinden, zoals b.v. de hypofysetumoren. We zullen hier de verschillende tumoren behandelen naar hun aard, waarbij we aangeven waar ze meestal voorkomen.
![]() |
| Schematische tekening van de overlangse doorsnede door het midden van de hersenen met daarop de plaats van de verschillende tumoren die vooral op kinderleeftijd (maar ook op andere leeftijden) voorkomen. Van de normale structuren zien we op de doorsnede: de oogzenuw, die kruist in het chiasma; de hypofyse in de sella, de hypothalamus in de wand van de derde hersenkamer, de plexus choreoïdeus van de derde hersenkamer, de pijnappelklier of glandula pinealis, de aqueduct die de derde hersenkamer verbindt met de vierde hersenkamer. Afgebeeld is de plaats van de volgende tumoren die min of meer in het midden van de hersenen voorkomen: O: opticusglioom; C: craniofaryngeoom; P: pinealoom; M: medulloblastoom (nu ook wel PNET genoemd); E: ependymoom van de vierde hersenkamer. De volgende tumoren liggen meer naar opzij: A: pilocytisch astrocytoom van de kleine hersenen en PA: plexus papilloom die meestal in de zijventrikel zit. |
Bij iedere patiënt met een opticusglioom zal gekeken worden of er sprake is van een symptomencomplex passend bij de z.g. Neurofibromatose.
De verschijnselen bestaan meestal uit langzaam optredende verslechtering van
het zien, al naar gelang de plaats van de tumor met één of met beide ogen. Als
de tumor erg groot wordt kunnen daar andere verschijnselen bijkomen, bij
voorbeeld stoornissen in de functie van de hypofyse (zie hypofysetumoren). Ook kan er een stoornis ontstaan in de afvloed van het
hersenvocht, met hydrocefalie. De tumor treedt vrijwel uitsluitend op de kinderleeftijd op.
De tumoren zijn meestal betrekkelijk goedaardig en te vergelijken met het
laaggradig astrocytoom (zie de tekst over hersentumoren). In sommige gevallen
kunnen ze echter een meer agressief gedrag vertonen met snelle groei. De
behandeling is afhankelijk van plaats en uitbreiding van de tumor. Als de
tumor beperkt is tot een oogzenuw zal deze, wanneer het gezichtsvermogen
verdwenen is, volledig verwijderd kunnen worden. Bij lokalisatie in het chiasma
zal de tumor alleen kunnen worden verkleind, waarbij getracht zal worden het
gezichtsvermogen te behouden. De behandeling is erop gerichteen stabiele
situatie te verkrijgen zonder aanvullende schade te veroorzaken. Naast
operatieve verwijdering wordt eventueel chemotherapie en/of radiotherapie
gegeven. De prognose is betrekkelijk gunstig, met uitzondering van de
genoemde meer agressieve vormen.
Hoewel het craniopharyngeoom een betrekkelijk goedaardige tumor is, kan de behandeling
ervan toch erg lastig zijn. Bij operatie lukte het niet altijd om de tumor samen met het
omgevende kapsel volledig te verwijderen, waardoor een opnieuw aangroeien (recidief) op de loer
ligt. Vrijwel altijd zal daarom na operatie ook nog bestraling plaatsvinden. Een alternatief is
een behandeling waarbij in de cyste radioactief materiaal wordt ingebracht waarmee de tumor
tot schrompelen wordt gebracht.
Het medulloblastoom is een tumor die hoort tot de groep van z.g. primitieve neuroectodermale tumoren (PNET) en is de meest voorkomende kwaadaardige hersentumor bij kinderen. Een oorzaak valt niet aan te geven, iets wat voor veel tumoren van het zenuwstelsel geldt. Deze tumor komt alleen voor in de achterste schedelgroeve, waar zich de hersenstam en de kleine hersenen bevinden. De tumor vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in het middengedeelte van de kleine hersenen (de z.g. vermis) en breidt zich eventueel vandaar uit naar opzij. Hij komt vooral voor bij kinderen en jonge volwassenen. De klachten zijn de typische verschijnselen voor aandoeningen in de achterste schedelgroeve: hoofdpijn, eventueel met misselijkheid en braken, dubbelzien, duizeligheid, onzeker lopen en een dronkemansgang. Een deel van de klachten hangt samen met een belemmering van de afvloed van het hersenvocht door het samendrukken van de vierde hersenkamer, hierdoor ontstaat hydrocefalie. De tumor kan zich via de liquorwegen naar het wervelkanaal uitzaaien.
De behandeling bestaat in eerste instantie uit de operatieve verwijdering van de tumor, waarbij soms ook de hydrocefalie moet worden behandeld met een z.g. drain of een endoscopische ventriculostomie. Daarna volgt bestraling, ook van het wervelkanaal tegen de uitzaaiingen, samen met chemotherapie om de overgebleven tumorresten te elimineren. Met deze combinatie van behandelingen kunnen veel patiënten genezen van deze kwaadaardige tumor. De resultaten van de behandeling zijn sterk afhankelijk van al eventueel aanwezige uitzaaiingen bij het stellen van de diagnose, van een eventuele rest na operatie en van de leeftijd. Bij jonge kinderen onder de 3 jaar kan geen radiotherapie worden gegeven, omdat dit de verstandelijke en later de hormonale ontwikkeling kan verstoren, en wordt meestal met chemotherapie volstaan.
Een minderheid van de patiënten is permanent
aangewezen op behandeling van de hydrocefalie door een shunt.Ependymoom
Het ependymoom ontstaat uit het weefsel dat de bekleding van de hersenkamers vormt. Deze tumor kan dan ook in elke hersenholte ontstaan, waarbij frequent de 4e ventrikel (hersenkamer) is aangedaan. Aangezien de ventrikels zich als een kanaaltje voortzetten in het ruggenmerg, een kanaaltje dat overigens samenvalt en bij volwassenen als zodanig nauwelijks meer aantoonbaar is, kunnen ependymomen ook in het ruggenmerg voorkomen (zie de tekst over ruggenmergstumoren). Het zijn beide tumoren die vooral voorkomen op de leeftijd van hele jonge kinderen en jonge volwassenen. Het ontstaan is niet duidelijk, maar waarschijnlijk is de neiging om deze tumor te vormen aangeboren. De klachten zijn de voor processen in de achterste schedelgroeve typische verschijnselen: hoofdpijn (eventueel met misselijkheid en braken), dubbelzien, onzeker lopen en duizeligheid. Een deel van deze klachten hangt samen met een belemmering van de afvloed van hersenvocht (liquor), door druk op de afvoerwegen. Hierdoor ontstaat hydrocefalie. Bij groei in het wervelkanaal (van een ependymoom) zullen verschijnselen van druk op het ruggenmerg ontstaan. Ependymomen zijn vaak laaggradig (al kunnen ze weer aangroeien), maar er zijn ook kwaadaardige vormen. Bovendien kan een meer goedaardige vorm in een meer kwaadaardige overgaan.
De behandeling bestaat in eerste instantie uit zo volledig mogelijke verwijdering van de tumor, waarbij soms ook de hydrocefalie moet worden behandeld met een z.g. drain of shunt (uitwendig of inwendig). Daarna zal bij de meer kwaadaardige vorm radiotherapie volgen (bij patiënten ouder dan drie jaar) en eventueel ook chemotherapie (vooral bij de jonge kinderen onder de drie jaar, die niet bestraald kunnen worden). De aanwezigheid van restant tumor geeft een grotere kans op het terugkomen daarvan. Bij de goedaardige vorm volstaan regelmatige controleonderzoeken met MRI. Wanneer de tumor terugkomt (recidief) kan eventueel opnieuw geopereerd worden en/of bestraling worden gegeven. Bij de keuze van de behandeling speelt de leeftijd van de patiënt een belangrijke rol. Hoewel het ependymoom meestal niet kwaadaardig is, blijkt bij jongere patiënten soms neiging tot een agressief beloop.
De tumor is betrekkelijk goedaardig en groeit na verwijdering doorgaans niet opnieuw. Een
nabehandeling is dan ook niet noodzakelijk, al zullen wel gedurende enkele jaren geregeld
controles plaatsvinden. Er bestaat wel een kwaadaardige vorm van deze tumor, maar die betreft
slechts een klein aantal gevallen.
Pinealistumoren zijn er in een aantal soorten. Er zijn
soorten die afgeleid zijn van het weefsel van de pijnappelklier, maar er komen
ook tumoren voor die zijn afgeleid van andere weefsels, zoals b.v. germinomen of
kiemceltumoren. Ze kunnen zowel goed- als kwaadaardig zijn.
Soms is een biopsie gevolgd door bestraling de beste behandeling, in andere gevallen moet
geopereerd worden en eventueel een chemotherapeutische behandeling volgen. Ook
zal de de hydrocefalie behandeld moeten
worden. Dit kan door het aanleggen van een derde ventriculo-cisternostomie
(een gaatje in de bodem van de derde hersenkamer). Bij deze procedure kan
eventueel een biopsie worden genomen. Het germinoom is zeer gevoelig voor bestraling en kan hiermee zelfs geheel
tot verdwijnen worden gebracht. Operatieve behandeling van
een pinealistumor (verwijdering hiervan) is een grote ingreep.
De behandeling van dit type tumor bestaat uit operatie. Een nabehandeling is
niet nodig. Indien de tumor operatief geheel verwijderd is wordt een opnieuw aangroeien van de tumor (recidief)
bij dit type
vrijwel nooit gezien, maar uit het woordje "vrijwel" blijkt al wel dat
toch nacontrole gedurende een aantal jaren geadviseerd zal worden. Dit
laatste geldt zeker als er nog een rest aanwezig is. Hier gaat het om een tumor die zich bevindt in de hersenstam, dus ook weer in
de achterste schedelgroeve. De leeftijd waarop deze tumor optreedt is vaak rond
de tien jaar. De klachten bestaan meestal uit hoofdpijn, eventueel met
misselijkheid en braken, later ook loopstoornissen, onzekerheid en dubbelzien.
Vaak wordt ook een afvloedbelemmering van het hersenvocht gezien, hydrocefalie. Wanneer sprake is van een tumor die op de MRI afgegrensd kan worden van het
normale hersenweefsel komt een operatie in aanmerking. Het gaat daarbij soms om
laaggradige processen die een redelijke prognose hebben. De meerderheid van de
tumoren betreft echter diffuus groeiende processen, die door de hele hersenstam
groeien en niet voor operatie in aanmerking komen. Hier zal doorgaans
behandeling met radiotherapie plaatsvinden. De vooruitzichten bij een dergelijke
tumor zijn ronduit slecht.Pilocytisch astrocytoom
Het pilocytisch astrocytoom is een goedaardige vorm van het astrocytoom die vrijwel alleen
bij kinderen en jonge volwassenen voorkomt. Deze tumor groeit meestal in de
kleine hersenen, maar kan ook heel zelden in de grote hersenen en hypothalamus voorkomen. Een andere
(oudere) naam
ervoor is spongioblastoom. De verschijnselen hangen
af van de plaats waar de tumor groeit. Bij groei in de kleine hersenen gaat het
om verschijnselen van onzeker lopen, duizeligheid en belemmering van de afvloed
van het hersenvocht met vorming van hydrocefalie. Wanneer de tumor in de grote hersenen optreedt kunnen de
verschijnselen hetzelfde zijn als die bij andere hersentumoren (zie de tekst
over hersentumoren).Glioom van de hersenstam
Toch bestaat er wel een grote mate van overeenstemming over de te volgen lijn. Wel zullen er tussen de verschillende centra accentverschillen bestaan, b.v. over het wel of niet geven van chemotherapie. Het hangt er daarbij vooral vanaf welk (internationale) protocol in het betrokken behandelingscentrum de voorkeur heeft. Die behandeling waarvan overtuigend bewezen is dat deze werkzaam is, zal overal toegepast worden.
Datum laatste revisie van deze tekst: april 2004.
Voor commentaar op deze tekst kunt U hier klikken.